Vmbo, havo of vwo?

In groep 8 maak je samen met de leerkracht en je ouders een keuze voor je nieuwe school: vmbo, havo of vwo. Daarbij is de uitslag van de doorstroomtoets belangrijk, maar niet het enige dat telt. Ook zaken als bijvoorbeeld motivatie, werk kunnen plannen en praktisch inzicht spelen een rol. Misschien weet je zelfs al wat je later worden wil. Met de informatie hieronder kun je bekijken welk type school mogelijk het best bij jou past.
Let op: de beschrijvingen zijn algemeen en gelden natuurlijk niet voor elk kind!


Vmbo

Kinderen op het vmbo houden meestal van korte instructies en niet van veel moeilijke dingen uit het hoofd leren. Ze maken hun huiswerk vooral, als de leerkracht het controleert. Het hebben van fijne docenten is daarom belangrijk. Praktijklessen ('met de handen werken') vinden veel vmbo-leerlingen het leukst. Toch moet er ook theorie geleerd worden, want na 4 jaar is er een examen. Dat kun je op verschillende niveaus doen. In het vmbo spreken ze over 4 leerwegen.
Meestal volgt na het vmbo nog een andere school. Je kunt bijvoorbeeld kiezen om door te leren voor monteur, tuinier, kok, kapper of verpleger. Of je gaat nog verder leren.



Havo

Theorie uit het hoofd leren gaat de meeste havo-leerlingen goed af, ook al vinden ze niet alles even interessant. Ze houden van gemotiveerde leerkrachten die het werk goed kunnen structureren. Het huiswerk kan dan, voor de week die komt, zelfstandig gepland en gemaakt worden. Na 5 jaar doen havo-leerlingen examen. Daarna kunnen ze doorleren voor een beroep, bijvoorbeeld leraar, ingenieur (technicus), fysiotherapeut, ICT'er (computerdeskundige) of HBO-verpleegkundige.


Vwo

Natuurlijk zijn niet alle vwo-leerlingen nerds, al doet de afbeelding misschien anders vermoeden. Veel kinderen op het vwo kunnen goed samenwerken en ja, de meeste zijn slim. Ze houden van leerkrachten die goed zijn in coachen, maar zelfs als een leerkracht dat niet zo goed kan of niet zo aardig is, maken de meeste vwo-leerlingen hun huiswerk gewoon. Ze zijn namelijk van binnenuit gemotiveerd en willen na 6 jaar hun examen halen. Daarna kunnen ze verder gaan studeren op bijvoorbeeld een universiteit, om een beroep te leren.
Kinderen die naar het vwo gaan, worden later bijvoorbeeld wetenschapper, ICT'er (computerdeskundige), arts of econoom (iemand met veel kennis van inkomsten en uitgaven).


Varianten

Eigenlijk bestaan er nog enkele soorten vervolgonderwijs: praktijkonderwijs (pro), het gymnasium (technasium, econasium) en tweetalig onderwijs (tto). Praktijkonderwijs lijkt op het vmbo, alleen haal je er een ander soort diploma. Het is voor kinderen die niet zo goed kunnen leren. Een gymnasium lijkt op het vwo, maar je krijgt extra onderricht in bepaalde vakken. Bij tweetalig onderwijs wordt een deel van de vakken in een andere taal gegeven, meestal is dat Engels. Het examen is wel gewoon in het Nederlands.

Oefenopgaven doorstroomtoets

Begrijpend lezen oefenen

Begrijpend lezen is een belangrijk onderdeel van de doorstroomtoets. Op je nieuwe school moet je de teksten in je boeken natuurlijk goed begrijpen.

Rekenen oefenen

Rekenen is ook een belangrijk vak. Rekenvaardigheden heb je bij verschillende vakken nodig, bijvoorbeeld bij wiskunde en natuurkunde. Met alleen een rekenmachine kom je er niet.

Grammatica oefenen

Grammatica heb je op je volgende school nodig bij vakken als Nederlands en Duits. Grammatica helpt je om een taal te leren.

Leestekens oefenen

Wil je dat leraren je proefwerken goed kunnen nakijken? Zorg dan dat je leestekens gebruikt!

Spelling oefenen

Hoe meer woorden je goed kunt schrijven, hoe verzorgder je werk eruitziet. Je kunt je spelling altijd verbeteren.

Werkwoorden oefenen

Begrijp je alle regels van werkwoorden? Pas ze dan toe in de oefeningen.